Statement

Giel Louws onderzoekt in zijn werk het medium schilderkunst door het te deconstrueren, en weer terug te construeren. Vaak is het een combinatie van de penseelstreek, het materiaal, toeval en esthetiek.

In his paintings Giel researches the medium painting by deconstructing it, and than assembling it again. It is a combination of the brushstroke, the material, chance, and esthetics.

Tekst Ko de Jonge bij tentoonstelling ‘Drager’ in Caesuur Middelburg ? / English version.

Woorden bij de opening van de laatste tentoonstelling in 2015 in ruimtecaesuur. Woorden over Giel Louws en vooral over zijn werk.

Ik kwam Giel voor het eerst tegen in 1999. We namen deel aan een bijzondere tentoonstelling: Boeken boven water.

Daarin werden kunstenaarsboeken van Zeeuwse kunstenaars gepresenteerd.

Ik kende alle deelnemers. Eén ervan niet: Giel Louws.

Na de opening in de Zeeuwse Bibliotheek mochten de deelnemers bijeen blijven om nog wat te nuttigen.

Het toeval bracht o.a. Giel en mij aan één tafel.

Ik zag een jonge gast die met een open blik zijn omgeving observeerde. Nieuwsgierig, bescheiden, wat verlegen misschien en oplettend.

Waar we het over hadden laat ik verder rusten. Het was een plezierige ontmoeting met een beginnend kunstenaar vers van de academie.

En wat me verbaasde: hij was terug gekomen naar zijn roots.

Nog steeds schroomt hij niet dat te tonen en kleedt hij zich soms in een jasje dat vele generaties voor hem ook droegen.

Giel is dus een echte Zeeuwse kunstenaar, niet in enge zin, maar met een visie die we werelds mogen noemen in de juiste betekenis.

Zijn werk overstijgt dat zelfs, het zijn eigenlijk universele verhalen vol verwondering.

In de afgelopen 15 jaar heeft het werk van Giel een enorme ontwikkeling doorgemaakt. Parallel aan zijn denken, manier van bediscussiëren, toetsen en ontdekken.

Regelmatig ga ik even langs bij Giel in het atelier.

Als hij in KipVis is staat zijn deur altijd een stukje open.

Dertig centimeter ongeveer. Voldoende om er ongezien langs te lopen, maar uitnodigend genoeg om er even binnen te stappen.

Er is nog al wat gebeurd in die ruimte. Giel vestigde zich er als schilder.

De schilder die o.a. zelfportretten maakte.

Ik zag er grote werken aan de wand ontstaan. Hij verbeeldde mythes, symbolen, oude boodschappen. Het verleden en de traditie meenemend in nieuwe uitdrukkingsmogelijkheden.

Ik zag er enorme dieren met geweien, soms getroffen door lichtflitsen van boven. Werken beplakt met uitgeknipte rozen. Grote verhalen in grote gebaren!

Met enorme energie werd de verf aangebracht in ruime streken. Elementen werden opgeplakt, overgeschilderd. Laag over laag. Zelfs de wanden naast het doek moesten het ontgelden.

Werk na werk. Het werden reeksen. Niet dat de reeksen het doel waren. Het was een proces van een zoektocht waarvan je nooit weet waar die zal eindigen.

De reeksen met hazen. Hazen in alle mogelijke vormen en standen.

De haas, de solist. Op de vlucht of in het leger, rennend of opgaand in het landschap.

En de wanden werden een grote smeerboel. Ook de vloer daarvoor.

Dan komen we aan een omslagpunt, nee, een omslagproces.

Giel bekleedde zijn atelierruimte. De besmeurde randen, de grenzen van doorworstelde symboliek en mythes werden afgedekt. Alles werd wit.

Wanden, vloer, alles. Hij gaat nieuwe series maken. Klein van formaat.

Een nieuwe zoektocht. Reeksen met portretten. Ogen gesloten.

Ik dacht eerst met dodenmaskers te maken te hebben.

Maar de portretten waren niet doods, ze hadden daarvoor te veel kleur.

Dromers waren het. Giel aan het dromen.

Ze werden gepresenteerd op de nieuwe witte wanden. Naast elkaar op een lat. Een lat rustend op twee schroeven.

En dan gaat het snel. De portretjes worden bijeengepakt. Een touwtje erom en het is een object. Een object met dingen die je niet kunt zien. Niets dus.

Dit moet u onthouden: NIETS.

Even heb ik nog vogeltjes gezien. Maar ze zijn gevlogen. Verdwenen in het niets. En daarmee verdween het figuratieve.

Op de latten en balken op 2 schroeven wordt nu letterlijk gebalanceerd. Acrobatiek van cirkels en wisselende kleuren. Uitgekiende verhoudingen zoeken onderling hun plaats. Kunnen verschoven worden.

Zelfs als beschouwer zou ik eenvoudig kunnen ingrijpen. ‘k Wordt eigenlijk uitgedaagd.

Plotseling steekt de draagstok als een vlaggenstok uit de wand.

Het werk als een vlag eraan. Of vergis ik me.

Is de draagstok onderdeel van het kunstwerk?

Alle soorten materialen krijgen toegang tot zijn werk. Opgedroogde verf in een mengbak wordt eruit gepeuterd en gebruikt. Hij kijkt om zich heen, annexeert dingen, laat het toe in zijn creatie. Giel haalt oude werken uit zijn opslag, ziet wat zijn enthousiaste schildersdrang heeft veroorzaakt. Er worden werken ontmanteld. Ze worden terug gebracht tot de essentiële elementen.

Er is een nieuw leven mogelijk. Een nieuwe schepping.

De schilder wordt prutser. Zit wat met de dingen te klooien. Ziet wat er tussen zijn handen gebeurt. Ramt er een nietje in, bindt er een touwtje om.

Vraagt zich af of het wat is. Of het anders moet, of het anders kan.

Hij hangt het op of zet het neer.

Het is echt worstelen met materialen in de hoop dat de worsteling deel wordt van zijn verhalen. Dat maakt het werk kwetsbaar. Maar het wordt intern gedragen.

Letterlijk dus. Geboren uit dat latje met twee schroeven zijn de dragers wezenlijk onderdeel en tonen zich in vele verschijningsvormen. We hoeven ons nu niet meer af te vragen wat en of er een drager is. Het is één.

Een paar maanden geleden kwam ik zijn atelier binnen. Giel zat te snijden in een schoenendoos. Aan de zijkant was een vorm van een deurtje uitgesneden, daarnaast grote ramen. Een model van de ruimte Caesuur.

Ik maak een plan voor een tentoonstelling, zei Giel.

Kijk die staande wand waar altijd kunstwerken aan hangen gaat neer. Dat wordt dan een deel van mijn werk. Onderdeel van de drager.

Een week later stond in het atelier de drager op ware grootte. Daarna ben ik getuige geweest van een proces waarvan u hier het resultaat ziet.

Volgens mij redde Giel het niet in zeven dagen maar toch zag ik een schepper zijn paradijs bouwen. En soms zag hij dat het goed was.

Vaak was er de aarzeling, wetend dat het ook anders zou kunnen.

Toch tot de slotsom komend: zo wil ik het, zo moet het.

Op het grote vlak kwamen steeds meer objecten te staan.

En de onderlinge verhoudingen werden belangrijker. Er groeide een installatie.

Als ik binnenkwam keek ik als een razende om me heen. Wat is er veranderd, wat is erbij gekomen. Wat betekent dat nu weer? Zag ik dat vorige keer ook? Staat het wel op dezelfde plaats?

Giel stond er dan bij met een vragende blik. Ik gaf soms aan wat ik zag, waaraan een element me deed denken. Een twinkeling in Giel’s ogen toonde: Yes,  hij ziet het.

Maar soms ging hij over zijn object of vondst praten. Dan werd ik weer teruggezet in de schoolbank. Ik vond mezelf een sukkel omdat ik dat niet had gezien, maar ging dan weer vele malen rijker de deur van KipVis uit.

En de hof van Giel groeide. Het is wat je ziet en soms is het niet wat je ziet. Zeker weten wordt uitgeschakeld. En als je de tocht door Giel’s hof onderneemt zorgt dat zeker voor verwarring. Een kunstschilder die zich plots bemoeit met elementen die eerder volledig ondergeschikt waren. Hij vertelt een nieuw verhaal. Een verhaal dat je hier niet kunt horen en waarbij zien soms ook onvoldoende is.

Is dat stuk steen wel steen en dat hout wel hout? Je zou de objecten willen aanraken om te controleren of het wel waar is wat je ziet.

Niet doen!

Grote kans dat het hele verhaal instort. Het werk is fragiel en de verbindingen kwetsbaar. Daardoor zijn de onderlinge verhalen spanningsvol.

Op de uitnodigingskaart staat de volgende zin:

Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.

Een zin van Jeroen Brouwers. Vorige week ontving hij een literaire prijs.

Hij liet toen o.a. zien hoe hij boeken schrijft. Welk materiaal hij gebruikt.

Oud verpakkingsmateriaal. Op wat gedoemd is om vernietigd te worden creëert hij zijn kunst. Zijn verhalen.

Giel neemt diezelfde houding aan. Hij vertelt zijn verhalen en creëert met wat gedoemd is te verdwijnen zijn nieuwe beelden.

Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt.

De zin kwam ik ook tegen in het boek De stilte van het licht van Joost Zwagerman. Het staat in het cruciale hoofdstuk: Niets, kijken naar niets. U moet dat hoofdstuk nalezen en het neerleggen naast de installatie Drager.

Joost is er te vroeg uitgestapt hij had het werk van Giel nog moeten zien.

Dit zou een mooi einde van een verhaal zijn.

Maar aan het eind van het wordingsproces van de Drager kwam er zo maar een element bij.

Een takje. Geënt in het midden van de hof. Een boom.

In een oud verhaal kwam daarna de mens.

Giel laat de werkelijkheid kantelen en schept daarmee de ruimte Caesuur tot één groot kunstwerk. Caesuur in een proces van twintig jaar waaraan velen een bijdrage mochten leveren. Caesuur als opmerkelijke plaats van schoonheid in de Middelburgse samenleving.

Ko de Jonge

zaterdag 11 november 2015

English version;

Words for the opening of the last exhibition of 2015 in ruimteCaesuur, Words on Giel Louws, and especially on his work.

I met Giel for the first time in 1999. We took part in a special exhibition; Boeken Boven Water (Discovered Books).

In this show Zeeuwse artists’ books were presented.

I knew all participants, except for one; Giel Louws.

After the opening in the Zeeuwse Library, the participants were invited to dinner.

By chance Giel and others joint the same table as me.

I saw a Young fellow, observing his surroundings with an open mind. Curious, modest, maybe a little shy, and observant.

I am leaving out what we talked about. It was a pleasant encounter with a starting artist, fresh from art-school.

What surprised me: he returned to his roots.

And still he is not afraid to show that, and sometimes dresses in a jacket worn by previous generations.

Giel is a genuine artist from Zeeland, not in a narrow sense, but with a worldly vision, in the right meaning of the word.

His work even transcends that, by telling universal stories full of wonder.

In the past 15 years the work of Giel developed enormously. Parallel to his thinking, his way of discussing, assaying and discovering.

I visit Giel regularly in his studio.

When he is present his door is always opened a little.

About 30 cm’s. Enough to pass without being seen, but inviting enough to step in.

A lot happened in that space. Giel established himself as a painter.

The painter that for instance made self-portraits.

I saw large works come to existance on the wall. He depicted myths, symbols, and old messages. Bearing history and tradition into new forms of expression.

I saw huge animals there with antlers, sometimes struck by lights from above. Works plastered with cut-out roses. Big stories in big gestures!

Paint was applied in broad gestures and enormous energy. Elements were pasted in, and over-painted. Layer upon layer. Even the walls beside the canvas took their share.

Work upon work. Series arose. Not as a goal on itself. It was a process witnessing a search without knowing its ending.

The series of hare’s. Hare’s in all shapes and forms.

The hare, the soloist. On the run or in his lair, running or vanishing in the landscape.

And the walls became a big mess. So did the floor.

And then there was a turning point, no, a turning-process.

Giel coated his studio. The smeared edges, the borders of pursued symbolism and mythology were covered. Everything became white.

Walls, floor, everything. He started new series. Small sizes.

A new quest. Series of portraits. Eyes shut.

First I thought they were death-masks.

But the portraits were not deathlike, they were to colourful.

Dreamers they were. Giel dreaming.

They were presented on the new white walls. Side by side on a lattice. A slat resting on two screws.

And then it speeds up. The portraits are bundled. Bound by a string to an object. An object with things unseen. Nothing left.

Remember; NOTHING.

Briefly I saw birds. But they have flown. Disappeared into thin air. And with them figuration disappeared.

Slats and beams on two screws is now a balancing act. Acrobatics from circles and changing colours. Précised proportions searching for their mutual placement. Potentially moved.

Even as a viewer I could easily intervene. Even provoked to do so.

All of a sudden the slat sticks out of the wall as a flagpole.

Carrying the work as a flag. Or am I mistaken.

Is the flagpole part of the artwork ?

All sorts of materials get access to his work. Dried out paint from his palette is pried out en re-used. He looks around, annexes things, allows them in his creation. Giel takes old works out of his storage, and sees what his enthusiastic painters-urge caused. Works are dismantled. Reduced to essential elements.

New life is possible. A new creation.

The painter becomes a tinker. Fools around with stuff. Sees what happens in his hands. Rams in a staple, binds with a string.

Asks himself if it really became something. If it could be done otherwise, or if it should be done otherwise.

Hangs it or puts it down.

It is a struggle with materials hoping this struggle becomes part of his stories. That’s what makes the work vulnerable. But it is internally supported.

Literally. Born from the lattice with the two screws the supports are essential parts and pop-up in many different appearances. It is no longer a question if there is a support, or what the support is. It is a unity.

A few months ago I entered his studio. Giel was cutting a shoebox. In the side a little door was cut, flanked by two large windows. A model for Art space Caesuur.

I am making plans for an exhibition, Giel said.

Look, the upright wall for hanging works is coming down. It will become part of my work. Part of the support.

A week later the supporting table stood real size in his studio. After that I witnessed the process which result is shown here.

I don’t think Giel made it in seven days but I saw a creator building his paradise. And sometimes he saw it was good.

Many times there was hesitation, knowing there are other ways to do things.

Decisive in the end: this is how I want it, so it shall be.

More objects appeared on the large surface.

And the proportions amongst them became more important. An installation grew.

As I entered the studio I franticly looked around. What changed, what was added. What does that mean ? Was it there last time ? Did it move ?

Giel stood there with questioning eyes. Sometimes I stated what I saw, what an element made me think of. A twinkle in his eyes expressed: yes, he sees it.

But other times he talked about his object or find. I was thrown back into my school bench. I thought myself a loser because I did not get it, but left the studio enriched.

And Giel’s garden grew. It is what you see, and sometimes it’s not. Certainty is abandoned. And walking through his garden, you are certainly bewildered. A painter interfering with elements that were accessory before. He tells a new story. A story you will not hear right now and sometimes just looking is enough.

Is that piece of stone actually stone, and this wood actual wood ? You would like to touch the objects to check your vision.

Don’t !

The possibility is real that the whole story collapses. The works are fragile and the connections vulnerable.

That’s what makes the underlying stories so exciting.

On the invitation you can read next sentence:

Nothing exists that does not touch something else.

A sentence of Jeroen Brouwers. Last week he won a literary award.

He showed how he writes his books. With what materials.

Used packaging-materials. Upon what is doomed to be destroyed he creates his art.

His stories.

Giel has the same attitude. He tells his stories and creates with what is doomed to disappear.

Nothing exists that does not touch something else.

That same sentence I came across De stilte van het licht (The silence of the light) by Joost Zwagerman. It is in the crucial chapter: Nothing, looking at nothing. You should re-read that chapter and put it next to the installation Drager.

Joost stepped out to soon, he should have seen Giel’s work.

This would be a great ending of a story.

But at the end of the genesis of Drager another element appeared.

A branch. Grafted in the middle of the garden. A tree.

In an old story men came after that.

Giel shifts reality and remakes Art space Caesuur into one large work of art. Caesuur in a process of twenty years in which many contributed. Caesuur as a remarkable place of beauty in Middelburg’s society.

Ko de Jonge

Saturday November 11 2015

Essay Robbert Proost       Nederlands / English

Ik had muziek gezien

De snelweg hield er op en dat benadrukte dat ik was waar ik wilde zijn. De enkele keer dat ik de stad eerder bezocht had, reisde ik met de trein, mijn reisgenoot zichtbaar geëmotioneerd door het landschap en het uitzicht op zee. Een dergelijke gevoeligheid voor deze esthethiek deelde ik niet, voor mij voelde een bezoek aan Zeeland altijd als een vorm van thuiskomen; geboren en getogen in een stad die gemoedelijk tegen de grens van deze provincie aanleunde. Het was een vervuld gevoel van nostalgie naar een plek die nooit echt mijn thuis was geweest. Er leek meer ademruimte te zijn. Voor Zeeuwen zou dit allemaal wellicht over-romantisch klinken, maar ik ervoer het als een tijdelijk ontsnappen uit mijn bekende omgeving. Ik was dan ook dankbaar voor de uitnodiging van de kunstenaar om hem in zijn atelier in Vlissingen te bezoeken. In onze korte mailwisseling bleef één opmerking van hem mij het sterkste bij: ‘Ik heb wat moeite met explicerende of intelectualiserende teksten bij kunst.’ Was dat waar kunstenaars nog altijd bang voor zijn? Ook mij kost het soms moeite om zaken niet te overintellectualiseren. Woorden zijn machtig, plaatsen dat wat ze beschrijven in kaders, structureren ervaringen en gedachten en dat is niet altijd waar kunst op zit te wachten. Beeldend kunstenaars spreken niet voor niets met visuele middelen. Het uitleggen van wat je ziet kan een beeld kapot maken, omdat het ineens ingebed wordt in de betekenismachine van de taal. Ik stelde de kunstenaar gerust. Het zou een persoonlijke sfeerimpressie worden.

Van figuratief naar abstract

De schilder haalt een groot doek tevoorschijn uit de berging in zijn atelier. ‘Een oud werk’, zegt hij, ‘uit de tijd dat ik vooral figuratief werkte.’ De omvang van het werk verrast me, in het atelier vol met kleine werkjes. Het schilderij bestaat uit een groene achtergrond, in grove streken in een patroon geschilderd dat doet denken aan een bos. Op de voorgrond lijken twee figuren in het luchtledige te zweven: rechts een hert met het hoofd naar beneden en links een lichtblauwe ovaal, als een hoepel. De hoepel brandt in smeulende vlammen en zendt zes rechte lijnen uit, als stralen, die het doek doorkruisen. Omdat de figuren op hetzelfde doek staan, zoek je als kijker natuurlijk direct een verband. Is het hert een circusdier? Heeft de cirkel een meer religieuze duiding nodig? Mijn pogingen blijken al snel vergeefs. Het niet kunnen rijmen van de beelden geeft het werk een droomachtig voorkomen, haast symbolistisch. Het is lastig, misschien zelfs onmogelijk, een eenduidige betekenis toe te kennen aan het afgebeelde. Maar meteen bekruipt mij het gevoel dat dat ook helemaal niet nodig is. Het werk is er ten gunste van het werk zelf, een autonoom schilderij dat schilderkunst weergeeft. En ondanks dat de beelden niet op het vlak van betekenis aan elkaar te koppelen zijn, is er op het gebied van vorm wel een harmonie, in compositie, in stijl en in kleurkeuze. Mijn aanvankelijke afleiding van het kijken naar het werk om duiding te geven aan het afgebeelde, weet Louws te ontwijken in zijn andere, latere werk, waarin figuratie de rug toe is gekeerd en je als kijker niets anders kan dan bewust zijn van het ambacht, de penseelstreken, de materialen en de compositie. De tegenstelling tussen het vroege werk en het huidige benadrukt voor mij dat abstractie niet altijd voor onduidelijkheid zorgt. Juist omdat er geen verhaal of situatie geschetst wordt, maakt dat de abstracte werken veel directer binnenkomen. De abstractie is eerlijk. Er is geen hogere wereld buiten de werken, maar er zijn de werken zelf.

Stoffelijke poëzie

In het opgegeven adres, ergens in een woonwijk, zat op het eerste gezicht een paramedisch centrum gevestigd. Ik las bordjes, controleerde het adres en daarna nog eens. Blijkbaar moest ik aan de achterkant van het gebouw zijn, waar ik Giel, na telefonisch contact, buiten trof. Het adres bleek uit meerdere panden te bestaan, die geen van alle meer hun oorspronkelijke bestemming leken te hebben. Giels atelier was een van de klaslokalen van een voormalige school, een gebouw dat hij met een stuk of vijftien andere kunstenaars deelde, verenigd onder de vlag van Kunstwerkplaats Kipvis. De gangen van het schoolgebouw werden bewoond door kunstwerken van deze kunstenaars, variërend van tekeningen op papier tot als uit schuim opgetrokken sculpturen. Een inspirerende omgeving, waarin kruisbestuiving tussen kunstenaars haast onontkoombaar was. In het atelier aangekomen herkende ik direct een reeks kleine werkjes, die ik eerder op de website van Giel aantrof. Op gebogen plankjes op de muur, stond een twintigtal ronde schilderijen, elk verschillend van kleur, formaat of materiaal. Ook de plankjes verschilden in lengte. De kunstenaar vertelde mij dat hij er zelf notenbalken in herkende, wat mijn vermoeden dat zijn kunst iets muzikaals had wist te bevestigen. Het werk leek mij een commentaar op schilderkunst, een verkenning in hoe het een relatie aan kon gaan met de ruimte, met het feit tentoongesteld te worden. En het bleek meer dan dat. Mijn oog viel op een uitgeprint A4-tje dat tussen twee ramen hing – ramen die overigens een prachtig uitzicht gaven op bomen en gebouwen. Het betrof een fragment van een gedicht van T.S. Eliot dat een prominente plek had gekregen in het atelier. De overeenkomst tussen moderne poëzie en Giels werk was eenvoudig te leggen: klanken volgen elkaar op en vormen een harmonie; in de eerste plaats op het gebied van vorm, inhoud is ondergeschikt. Zo beeldden de recente cirkelvormige werken van Giel ook niets uit, ze zijn allerminst figuratief te noemen. Het ging dan ook om het componeren, het scheppen met tastbare materialen door de fysieke verrichtingen van de kunstenaar. Een andere dichter die Giel bewonderde is Fernando Pessoa, die rond dezelfde tijd actief was als Eliot. Een gevoel van nostalgie overviel me; het atelier zelf, de uitstraling van de werken was enerzijds fris, eigentijds, maar leek nu ook duidelijk te verwijzen naar het vroege modernisme in zowel de schilder- als dichtkunst. Opnieuw een gevoel van nostalgie, dit keer niet een heimwee naar een plaats waar ik nooit gewoond had, maar naar een tijd die ik nooit beleefd had. Het was een prettige overbrugging tussen het verleden en het heden, zoals ik de aankomst in Vlissingen beleefde: een vertrek uit het hier dat ik kende naar een daar dat me aangenaam huiselijk aandeed.
Veel jazz

Giel zegt mij dat ik overal mag kijken en opent voor mij een brede lade met daarin talloze kleine werkjes. Hij demonstreert er enkele die uit afzonderlijke onderdelen bestaan. Zo zijn beschilderde plaatjes vastgezet in elastiek in een houten frame, dat daardoor nog altijd veranderlijk is. Andere kunnen uitgeklapt worden en neergezet als kleine sandwichborden. De werkjes kunnen onderdelen uitwisselen, verschuiven, per ongeluk verzakken. Het is een zelfde soort kwetsbaarheid en aanwezigheid als in de grote compositie met de cirkels te herkennen is. In sommige gevallen borduurt Giel voort op een bepaald idee en voert dit dan uit met verschillende materialen en in verschillende vormen. Een houten bakje met daarin kleine schilderwerkjes leunend tegen elkaar gezet kan opnieuw gerangschikt worden. Het is als een cd-collectie waardoor gebladerd kan worden, elke cd een afzonderlijk werk, maar samen een onderling communicerend geheel. Het verrast me dan ook niet dat Giel een flink cd-verzameling op zijn atelier heeft staan. Veel jazz.
Een werk van haast doorzichtig vloeipapier is beschilderd met een gemarmerde bruine waas, als een zachte wolkenpartij. Met een opvallend contrasterend lichtblauw is er een scherpe cirkel op afgebeeld. Het vel vloeipapier, zonder lijst, hangt losjes van de muur af en beweegt licht in het bewegen van de lucht als ik voorbij loop. Niet alleen mijn ogen hebben moeite om houvast te vinden op het werk – de cirkel lijkt te dansen door de mist – de foto’s die ik als geheugensteun van het werk maak krijgt de cirkel niet scherp, omdat mijn camera wanhopig de bruine wolken probeert scherp te stellen.

Talismannen

We besloten mijn bezoek in een kleinere ruimte, die waarschijnlijk een opbergruimte van de school was geweest. Hier experimenteerde Giel met werken waar je niet anders kon dan dichtbij staan. Het accepteren en gebruiken van toeval was ook hier duidelijk: een stuk afplaktape, gebruikt om een recht vierkant op de muur te kunnen schilderen, was hergebruikt om onder het vierkant een plek te krijgen. De losse stukken tape leken met het vierkant een medaille te vormen of een soort onvermurwbare dromenvanger, een talisman. Dit werk was niet mee te nemen, maakte onderdeel uit van de ruimte zelf, letterlijk. Het zou vereeuwigd blijven in het gebouw en dat terwijl de andere werken uiterst mobiel, opklap- en oprolbaar, draagbaar en herschikbaar waren.

Een wandeling over de boulevard om alles te laten bezinken. Ik had muziek gezien, een synesthetische ervaring. Talismannen die alleen naar zichzelf verwijzen; een eenvoudige maar effectieve gedachte. Ik moest er naar kijken zoals een kind, onbevooroordeeld en eerlijk. En het kind in mij danste. Grootse ideeën zoeken achter het getoonde had geen zin, zou ook niets toevoegen. Ik keek als naar de meeuwen en het water, zoals ook zij hun natuurlijke geluid over het strand deden kletteren.

 

English version;

I had seen music

The highway ended which emphasized that I was there where I wanted to be. The few times I had visited the city on previous occasions, I had travelled by train, as the landscape and the ocean view visibly affected my travel companion. I did not share such sensitivity for these particular aesthetics, to me, a visit to Zealand always felt like a sort of homecoming: born and raised in a city that leisurely leaned against the border of the province. It was filled with a sense of nostalgia for a place that never really was my home. There seemed to be more breathing space. To Zealanders, all of this probably would sound a bit over-romantic, but I experienced it as a temporary escape from my own familiar surroundings. Therefore, I was grateful for the artist’s invitation to visit him in his studio in Vlissingen. In our short email exchange, one of his remarks kept lingering in my mind: “When it comes to art, I have some difficulties with expository or overly intellectual texts.” Was that still an artist’s greatest fear? Even for me, it sometimes proves difficult not to over-intellectualise. Words are powerful, they frame what they describe and structure experiences and thoughts, and that is not a favorable box for the Arts to be stashed in. There is a reason why visual artists speak with visual means. Explaining what you see can ruin an image, because it all of a sudden becomes embedded in language. I reassured the artist. Our visit would be a personal impression.
Figurative to abstract

The artist draws out a huge canvas from his atelier storage. “An old work”, he says, “from the time I mostly worked figuratively”. In an atelier full of small paintings the size of this work took me by surprise. The work consists of a green background, painted in a pattern with coarse strokes, reminiscent of a forest. In the forefront two figures seem to float in thin air: on the right side there is a deer with his head bend down and to the left, a light blue oval shaped as a hoop. The hoop burns in smouldering flames while it sends out six straight lines, like beams, that cross the canvas. Because the figures are present on the same canvas, as a viewer, you immediately start to look for a connection. Is the deer a circus-animal? Does the presence of the circle require a more religious interpretation? My attempts quickly appear to be futile. The irreconcilability of the images is what gives the work its dreamlike, almost symbolical, appearance. It is hard, maybe even impossible, to grant an unambiguous meaning to the depicted. But immediately I start to have the feeling that this is completely unnecessary. The work is there in favour of the work itself, an autonomous painting representing the art of painting. And even though the images seem to be disconnected in meaning, there is harmony in shape, composition, style and colour. My initial distraction of reviewing the work in order to give meaning to the depicted, is evaded by Louws in other, mostly later work, wherein he turns his back to the figurative and you, as a viewer, are left with nothing else to turn to but the trade, the pencil-strokes, the materials and the composition. The contrast between his early work and his present paintings, stressed to me that abstraction does not always lead to indistinctness. Precisely because there is no representation of a story or situation, makes the abstract works even hit you harder. The abstraction is honest. There is no internal world presented in these paintings, only the works themselves.
Material poetry

At first glance the given address, situated somewhere in a residential neighbourhood, used to house a paramedic centre. I read the signs on the door and checked the address again and again. Apparently I had to be at the back of the building where, after a short call, I met Giel. The address appeared to be existing out of multiple buildings, none of which seemed to be used for their original destination. Giel’s atelier was set-up in one of the classrooms of a former primary school, a building he shared with about fifteen other artists united under the banner of Kunstwerkplaats Kipvis. The halls of the building were inhabited by the works of these artists and ranged from drawings on paper, to sculptures seemingly erected from foam. An inspiring environment where cross-pollination seemed to be inevitable. At our arrival in the atelier I immediately recognised a series of small works that I had spotted earlier on Giel’s website. On several bent shelves hanging from the wall stood twenty round paintings, each different in colour, size or material. Even the shelves differed in length. The artist told me he saw staves in them, which confirmed my suspicion that his works had something musical about them. To me, the work seemed to be a commentary on the art of painting itself, an exploration on how paintings could enter into a relationship with space and become displayed. And it appeared to be more than that. My eye caught a A4 sized print that was hanging between two windows, windows that incidentally provided a beautiful view of the trees and buildings. It was a fragment of a T.S. Eliot poem which had received a prominent place in the atelier. The resemblance between modern poetry and Giel’s work was easy to explain: sounds succeed each other and flow into a harmony: in the first place in the area of shape, while content plays second fiddle. Although Giel’s recent circle-shaped paintings did not portray anything, they could least of all be called figurative. It was all about composing, the process of creating with tangible materials by the physical performance of the artist. Another poet Giel admired was Fernando Pessoa, who was active around the same time as was Eliot. A nostalgic feeling came over me: on the one hand, the atelier itself and the radiance emitted by the works could be termed fresh and modern, but now, it also clearly referred to early Modernism in both painting and poetry. Again this nostalgic feeling: this time not in the shape of home-sickness for a place I never lived, but to a time I had never experienced. In my experience, the arrival in Vlissingen was a pleasant bridging of past and present: a departure from the here and now that I knew, to a there that made me feel pleasantly at home.
A lot of jazz
Giel invites me to take a look around and opens up a broad drawer revealing numerous small works. He demonstrates a few of them that consist out of separate parts. There are painted plates fastened with elastic in a wooden frame which thus remains alterable. Others can be folded out and emplaned as little sandwich boards. The works can exchange parts, be moved around, and accidentally collapse. It is the same sort of vulnerability and presence that can be distinguished in his larger composition of circles. In some cases, Giel elaborates on a certain idea which he then executes with different materials and in different shapes. The wooden tray containing small paintings that lean in to each other could, for example, be rearranged over and over again. It is almost like a cd-collection you can browse through, each cd a separate work, but together they form a mutually communicating whole. Therefore it does not surprise me to find a large cd-collection in Giel’s atelier. A lot of jazz.
A canvas of nearly translucent tissue-paper is painted in a marbled brown haze, almost like soft clouds. Depicted on this canvas is a sharp circle in a strikingly and contrasting light blue colour. This sheet of tissue-paper, without a frame, hangs lightly from a wall and, as I pass by it slightly sways caused by the airmovement. Not just my eyes experience difficulty holding the work in their gaze, as the circle seems to dance through the mist, but even the photographs that I take of the work as a mnemonic device are unable to get the circle into clear focus, because my camera desperately tries to find a sharp focus in the brown clouds.
Talismans

My visit ends in a smaller room, which once probably functioned as the storage-room of the school. In here, Giel experimented with works that left you no choice other than to stand really close to them. The acceptance and usage of coincidence was also clearly present in these works: a piece of tape used to spray a straight square on the wall, was then re-used and now occupied a place underneath the square. Together with the square the separate pieces of tape seemed to form a medal or some sort of unyielding dream-catcher or talisman. This work was not portable, it was part of the room itself. It would remain immortalized within this building, while the other works were extremely mobile, fold-able and flexible, portable and able to be re-arranged.
I took a walk over the boulevard to let it all sink in. I had seen music, a synaesthetic experience. A talisman-collection that only referred to itself: a simple but effective thought. Painting in its pure form. It was useless to search for any grand thoughts behind the depicted, as it would not add to anything. I watched in a way I watched the gulls and the water, as they also clattered their natural sounds across the beach.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s